Inloggen

Jacob Lentz, ontwerper van het persoonsbewijs

    Martin Deinum
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Martin Deinum in de groep Ambtenarengeschiedenis! 1002 dagen geleden

    Jacob Lentz

    Martin Deinum

     

    Persoonsgegevens:

     

    Naam: Lentz, Jacobus Lambertus

    Geboren: Den Haag, 23 juli 1894

    Overleden: onbekend, 18 augustus 1964

    Opleiding: driejarige hbs, diploma gemeentelijke bevolkingsadministratie 

    Overheidsdienst: Rijksinspectie der bevolkingsregisters

    Functie: hoofd van de rijksinspectie

     

    ‘De banaliteit van het kwaad’, zo noemde filosofe Hannah Arendt de praktijken van de vele ‘gewone’ mensen die ieder hun steentje bijdroegen aan de Duitse vernietigingsmachine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij had het toen speciaal over Adolf Eichmann, de schijnbaar grijze en onbeduidende Duitse SS-bureaucraat die evenwel de jodendeportaties organiseerde. Haar omschrijving is echter net zo goed van toepassing op de Nederlandse ambtenaar Jacobus Lambertus Lentz, de ontwerper van het persoonsbewijs.

     

    Identificatie

    De Duitse bezetter maakt direct na de inval in mei 1940 werk van het invoeren van een identificatieplicht. Alle Nederlanders moeten zich laten registreren en zich op ieder moment kunnen identificeren. Het opsporen van joden en verzetsmensen wordt hiermee enorm vergemakkelijkt. In Duitsland bestaat deze plicht al sinds 1938. 

     

    In Nederland is het tot dat moment nog niet gekomen tot een identificatieplicht. Dat heeft niet gelegen aan de zittende Rijksinspecteur van de bevolkingsregisters, Jacob Lentz. Deze heeft vurig gepleit voor de invoering van zo’n plicht. In 1913 is Lentz zijn carriere bij de overheid begonnen, als ‘schrijver’ bij de hulppost Scheveningen van het Haagse bevolkingsregister. Hoewel op school geen goede leerling, weet hij dankzij zijn enorme ijver, ambitie en talent voor administratie, in korte tijd op te klimmen tot leidinggevende van de Rijksinspectie van de bevolksregisters. Hij ontwerpt een nieuw systeem van bevolkingsboekhouding, waarvoor hij een koninklijke onderscheiding krijgt. 

     

    Alle Nederlanders staan nu in één systeem geregistreerd, maar Lentz droomt nog grotere dromen: een identiteitsbewijs waarmee iedere Nederlander zich op ieder moment moet kunnen identificeren. Dit zou het opsporen van misdadigers enorm vergemakkelijken en slachtoffers van ongelukken kunnen direct geïdentificeerd worden. Het kabinet-De Geer heeft er echter principiële bezwaren tegen: dit systeem zou elke burger als potentiële misdadiger beschouwen. In maart 1940 besluit men het identiteitsbewijs niet in te voeren. 

     

    Technisch perfect

    Twee maanden later is Nederland bezet gebied en Lentz krijgt tot zijn grote vreugde alsnog de opdracht om een persoonsbewijs te ontwerpen. Dat deze opdracht van de bezetter komt maakt hem niet uit. Lentz ziet zichzelf als een loyaal ambtenaar die opdrachten zo goed mogelijk uit dient te voeren, ongeacht van wie ze komen. Hij stort zich dan ook vol overgave op zijn werk. Zijn enorme enthousiasme, inzet en ijver leiden al snel tot het technisch meest volmaakte persoonsbewijs dat in heel Europa te vinden is. Het blijkt vrijwel onmogelijk te vervalsen of te wijzigen. De Duitsers staan versteld: deze kaart is nog beter dan hun eigen Kennkarte. In de jaren daarna blijkt het systeem van persoonsbewijzen een perfect opsporingsmiddel. Naam, adres, foto, vingerafdruk, handtekening, alles wat de Duitsers van iemand willen weten staat erop. Joden krijgen een grote zwarte letter ‘J’ op hun persoonsbewijs gedrukt. 

     

    Overigens is niet alleen het persoonsbewijs zelf perfect, ook de medewerking van de medewerkers van Lentz’ dienst is uitstekend. De bezetter is vol lof over zo’n servicegerichte overheidsdienst die hen in staat stelt vele duizenden mensen op te pakken om te deporteren of te executeren. 

     

    Waardevolle kracht

    Vanzelfsprekend is het verzet minder te spreken over Lentz. Hij krijgt dan ook felle kritiek te verduren, tot doodsbedreigingen aan toe. Dit raakt hem wel, hij meldt zich ziek en vraagt in 1943 zelfs ontslag aan. Dit ontslag wordt geweigerd, de Duitsers zien in Lentz een te waardevolle kracht. In datzelfde jaar eist zijn werk ook zijn tol in zijn huwelijk. Door het nachtenlange overwerken verwaarloost Lentz zijn gezin. Waar hijzelf de gevolgen van zijn werk niet onder ogen ziet, ziet zijn vrouw deze wel degelijk en verafschuwt zijn werk. Ze laat zich van Lentz scheiden. Deze krijgt zijn vrouw en kinderen daarna nauwelijks nog te zien. 

     

    Na de oorlog

    Na de bevrijding wordt Lentz tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens collaboratie met de bezetter. Maar nog steeds ziet hij niet in wat hij verkeerd gedaan heeft. Hij meent dat, in zijn eigen woorden: ‘een ambtenaar, met het algemeen belang voor ogen, elke opdracht had uit te voeren, welke hem werd gegeven’. In 1963 overlijdt hij als een verbitterd man, in de onwrikbare overtuiging dat een goede bevolkingsregistratie alleen maar voordelen voor de samenleving heeft. 

     

    Uit alle bronnen blijkt dat Lentz geen nazi was en ook geen nazisympathieën had. Hij was wel het slechtste voorbeeld dat een ambtenaar maar kan hebben: stug de opdrachten van hogerhand uitvoerend en verder doof en blind zijn voor de vreselijke gevolgen die zijn werk heeft. Tot zijn dood aan toe bleef hij de banaliteit in eigen persoon.  

     

    Literatuur:

    Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5, p. 445-458

    Regina Grüten, Fatale liefde voor bevolkingsregisters, Historisch Nieuwsblad 5/2013 

    Martin Deinum

    Martin Deinum

    Wie ben ik

    Ambtenaar ruimtelijke ordening bij gemeente Purmerend, maar erg geïnteresseerd in geschiedenis. Op dit moment een studie Algemene Cultuurwetenschappen volgend, en al enige ervaring met het schrijven...

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers