Inloggen

Dr. Hans Max Hirschfeld: een ‘onphilosofies pragmaticus’

    Rob van Daal
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Rob van Daal in de groep Ambtenarengeschiedenis! 910 dagen geleden

    I Persoonsgegevens

     

     

    Achternaam: Hirschfeld, Voornamen: Hans Max

    Geboorteplaats: Bremen, geboortedatum: 29 mei 1899,

    Plaats van overlijden: Den Haag, Datum van overlijden: 4 november 1961.

    Opleiding: gepromoveerd econoom.

    Woonplaats: Den Haag.

    Naam of namen van de overheidsdienst(en) waar betrokkene werkzaam was:

    • Ministerie van Economische Zaken
    • Ministerie van Handel, Nijverheid & Scheepvaart.

    Functie(s) van betrokkene bij de overheidsdienst(en):

    • directeur generaal Handel & Nijverheid,
    • secretaris generaal Handel, Nijverheid & Scheepvaart
    • voorzitter van college van secretarissen generaal
    • regeringscommissaris

     

     

    II. Tekstgedeelte

     

    Dr. Hans Max Hirschfeld: een ‘onphilosofies pragmaticus’

    Het komt zelden voor dat er over een Nederlandse ambtenaar kort achter elkaar twee omvangrijke biografieën verschijnen en ook nog van prominente biografen. Dat is bijzonder. De carrière van dr. Hans Max Hirschfeld is dan ook bijzonder. Vooral omdat die carrière zich voltrekt in een zeer roerige periode voor het openbaar bestuur: de Depressie van de jaren dertig, de bezettingstijd, de wederopbouw en de onafhankelijkheid van Indonesië. Steeds vervult hij daarbij functies die van wezenlijke betekenis zijn voor de loop der dingen. Zijn plek in dit boek heeft Hirschfeld te danken aan zijn rol als voorzitter van het college van secretarissen generaal tijdens de bezettingjaren.

     

    Hirschfeld is op 29 mei 1899 geboren in Bremen, Duitsland als kind van een joodse vader en een protestantse moeder. Vier maanden later verhuizen zijn ouders naar Rotterdam. Op 17-jarige leeftijd gaat hij studeren aan de Rotterdamse Handelshogeschool en in 1922 promoveert hij op het ontstaan van het moderne bankwezen en blijft ook nadien publiceren in kranten en wetenschappelijke bladen. Hij gaat werken bij de Javasche bank en hij wordt op 31-jarige leeftijd gevraagd directeur-generaal te worden van een nieuw op te richten afdeling voor Handel en Nijverheid van het ministerie van Economische zaken en zal dat blijven tot 1939. Als op 8 mei 1940 het ministerie van Economische zaken wordt opgesplitst, wordt hij secretaris-generaal van het ministerie van Handel, Nijverheid en Visserij.

     

    Wanneer op 13 mei 1940 de regering en de Koninklijke familie de oversteek maken naar Engeland, blijft het ambtelijk apparaat achter. Alle departementshoofden hadden eerder een verzegelde envelop ontvangen die moest worden geopend in geval van oorlog. In deze enveloppen zat de Aanwijzingen betreffende de houding aan te nemen door de bestuursorganen van het Rijk, de Provinciën, de Gemeenten […] in geval van een vijandelijke aanval.  De achtergebleven secretarissen-generaal werden verantwoordelijk voor het Nederlandse bestuursapparaat, tot 7 juni 1940 onder het gezag van generaal Winkelman, daarna onder gezag van Arthur Seyss-Inquart, rijkscommissaris voor bezet Nederland. In de Aanwijzingen staat dat Nederlandse ambtenaren ‘in het belang van de bevolking er naar streven, dat het bestuur ook onder de gewijzigde omstandigheden zoo goed mogelijk zijn taak blijft vervullen.’ Gewapend verzet tegen de Duitse bezetter was volgende de Aanwijzingen niet toegestaan: ‘Door personen, niet tot de militaire macht behorende, hoe groot hun verontwaardiging ook moge zijn, mag geen enkele daad van geweld of tegenweer worden verricht.’

     

    Hirschfeld werd als voorzitter van het college van  secretarissen-generaal (SG’s) en zelf als Secretaris Generaal Handel, Nijverheid & Scheepvaart en waarnemend Secretaris Generaal Landbouw & Visserij gesteld voor de vraag wat die aanwijzingen nu concreet betekenden voor de ambtelijke opstelling jegens de bezetter. Immers, er was geen Nederlandse politieke leiding meer om het aan voor te leggen. De werkloosheid was in 1940 inmiddels opgelopen tot 26%; ondernemers wilden weten of ze opdrachten konden aannemen. Wanneer was samenwerking met de bezetter in het belang van de bevolking en wanneer werd het collaboratie of landverraad? Dempt het aanblijven de maatregelen van de bezetter? Of is dat een gevaarlijke illusie? Het dilemma van de inmiddels spreekwoordelijke burgemeester in oorlogstijd.  

     

    Hirschfeld toont zich in die afweging een man die Verantwortungsethik hoger aanslaat dan Gesinnungsethik. Niet de intentie, maar het daadwerkelijke  gevolg voor de gehele bevolking staat centraal. Wat hij niet denkt te kunnen beïnvloeden, zoals de deportatie van joodse burgers, lijkt hij te negeren. Hij richt zich op wat volgens hem wel kan, zoals het opzetten van de voedselvoorziening van Friesland en Overijssel via de Zuiderzee aan de steden in Holland tijdens de hongerwinter. Met deze houding maakt hij zich niet bij iedereen geliefd. Zeker niet bij het verzet en dat is wederzijds. In de nacht bruggen opblazen kan iedereen vond hij, maar verantwoordelijkheid dragen voor dilemma’s en het bewaken van orde, daar was meer voor nodig. Hij moest immers persoonlijk onderhandelen met de bezetter, terwijl tegelijkertijd prominente NSB’ers als M.M. Rost van Tonningen bij de Duitsers wezen op zijn joodse achtergrond. Bekend voorbeeld van zijn koelbloedigheid is zijn optreden bij de Limburgse mijnstakingen in 1943. De Duitsers wilden dat de staking onmiddellijk werd beëindigd en dat de directie ook lijsten zou overleggen met de namen van de stakers. De mijndirecteuren die weigerden werden ter dood veroordeeld. Hirschfeld hield vast aan zijn centrale doel: instandhouding van werkgelegenheid en voedselvoorziening voor de bevolking. Hij vertaalde die logica naar de bezetter. Dus vroeg hij aan Rauter: ‘Wat wilt u: lijken of kolen?’. Laatstgenoemde koos toen voor kolen. Deze rationele logica werkte in tal van andere situaties niet: daar werden tragisch genoeg juist lijken gewenst.

     

    Het naoorlogse oordeel over zijn handelen was mild, volgens sommigen te mild: hij werd uiteindelijk eervol ontslagen op eigen verzoek. Daar ging wel een schaakspel aan vooraf. In 1945 stelde minister H. Vos van Handel en Nijverheid een commissie in ter beoordeling van zijn handelen. Deze commissie werd voor gezeten door F.H. Fentener van Vlissingen. Een opvallende keus, omdat deze voorzitter ook niet onbesproken was in zijn opstelling jegens de bezetter. Hirschfeld zou bij het eerste verhoor hebben gezegd: ‘Meneer de voorzitter, mag ik eerst even opmerken dat het maar een kwestie is van toeval dat U aan die kant van de tafel zit en ik aan deze.’ De commissie oordeelde dat Hirschfeld zich had gehouden aan de voor de oorlog opgestelde Aanwijzingen en dat daarmee eervol ontslag op eigen verzoek passend was. Het kabinet had grote moeite met dit oordeel. Een minister stelde: ‘Als de heer Hirschfeld niet wordt gezuiverd, kunnen we er verder wel mee ophouden’. Het werd een onvrijwillig eervol ontslag. Hirschfeld accepteerde dit echter niet en ging in beroep bij de Raad van State. Zijn plaatsvervanger gedurende de oorlog T.P. van der Kooy verzamelde in reactie op het kabinetsbesluit onder de ambtelijke top 52 handtekeningen onder een verzoek aan de koningin om het onvrijwillige ontslag ongedaan te maken. In 1946 werd het verleende ontslag ook ongedaan gemaakt door een nieuw kabinet. Ook twee andere SG’s die gedurende gehele oorlog op hun post waren gebleven, kregen een eervol ontslag. Voor de NSB’ers die de functie tijdens de oorlog hadden vervuld, gold een geheel ander oordeel. De reeds genoemde SG Financiën Rost van Tonningen werd bijvoorbeeld ter dood veroordeeld.

     

    Ondanks zijn omstreden rol, werd er al snel weer beroep gedaan op zijn kennis en capaciteiten. Nog voordat zijn onvrijwillige ontslag ongedaan was gemaakt, werd Hirschfeld al door luitenant gouveneur-generaal H.J. Van Mook uitgenodigd om naar Batavia te komen om hem daar te adviseren over het economische herstel van Nederlands- Indië. In 1947 werd hij door het kabinet benoemd als regeringscommissaris voor de voorbereiding en uitvoering van de Marshall-hulp. Vele benoemingen zouden nog volgen, onder meer als regeringscommissaris in Jakarta om de boedelscheiding tussen Nederland en Indonesië tot een goed einde te brengen. Na zijn afscheid definitieve afscheid als ambtenaar keerde hij terug naar het bedrijfsleven als toezichthouder en volgde nog achttien commissariaten, onder meer bij Philips, Holland-Amerika lijn en de Rotterdamse Bank.

     

    Wat voor man was deze dr. Hans Max Hirschfeld nu terugkijkend? Voor sommigen was hij ‘een type Fouché’, naar de veiligheidschef Joseph Fouché ten tijde van de Franse revolutie. Een naam die staat voor overlevingskunst, opportunisme en berekening. President Sukarno noemde hem ‘de Man van het Grote Geld’. Zijn eerst belangstelling lag ook bij het bankwezen. Zijn collega onderhandelaar L.A. Ries kenschetste hem als ‘onphilosofies pragmaticus’. Jerôme Heldring gaf hem de titel ‘de machtigste ambtenaar die Nederland ooit heeft gehad’. Terwijl zijn vader, Ernst Heldring, hem in 1931 nog beschreef als ‘een onaanzienlijk joodje’. Biograaf Fennema spreekt zijn bewondering uit voor de emigrant van bescheiden komaf, die binnen de vaderlandse elite indrukwekkend carrière maakt en zich staande houdt onder extreem moeilijke omstandigheden. Een collega topambtenaar kwalificeerde hem als ‘een geniale ambtenaar’ en ‘onvervangbaar’. Hirschfeld was in elk geval een man die leefde voor zijn werk, die samenviel met zijn werk. Vanuit een afkeer van chaos is hij beheerst in tijden van grote onzekerheid. Als een archetypische Weberiaan blijft hij sine ira et studio vasthouden aan rationele doelen, met steeds niet alleen het nu, maar vooral ook de toekomst voor ogen. Hirschfeld was bovenal een man met gezochte capaciteiten en inderdaad haast spreekwoordelijk onvervangbaar.

    IIb Tekstgedeelte ingekort

    Dr. Hans Max Hirschfeld: een ‘onphilosofies pragmaticus’

    Het komt zelden voor dat er over een Nederlandse ambtenaar kort achter elkaar twee omvangrijke biografieën verschijnen en ook nog van prominente biografen. Dat is bijzonder. De carrière van dr. Hans Max Hirschfeld is dan ook bijzonder. Hirschfeld heeft veel meer gedaan, maar zijn plek in dit boek heeft hij vooral te danken aan zijn rol als voorzitter van het college van secretarissen generaal tijdens de bezettingjaren.

     

    Hirschfeld is op 29 mei 1899 geboren in Bremen, Duitsland als kind van een joodse vader en een protestantse moeder. Vier maanden later verhuizen zijn ouders naar Rotterdam. Op 17-jarige leeftijd gaat hij studeren aan de Rotterdamse Handelshogeschool en in 1922 promoveert hij op het ontstaan van het moderne bankwezen. Hij wordt op 31-jarige leeftijd gevraagd directeur-generaal te worden van een nieuw op te richten afdeling voor Handel en Nijverheid van het ministerie van Economische zaken en zal dat blijven tot 1939. Als op 8 mei 1940 het ministerie van Economische zaken wordt opgesplitst, wordt hij secretaris-generaal van het ministerie van Handel, Nijverheid en Visserij.

     

    De Aanwijzingen

    Wanneer op 13 mei 1940 de regering en de Koninklijke familie de oversteek maken naar Engeland, blijft het ambtelijk apparaat achter. Alle departementshoofden hadden eerder een verzegelde envelop ontvangen die moest worden geopend in geval van oorlog. In deze enveloppen zat de Aanwijzingen betreffende de houding aan te nemen door de bestuursorganen van het Rijk, de Provinciën, de Gemeenten […] in geval van een vijandelijke aanval.  In deze Aanwijzingen staat dat Nederlandse ambtenaren ‘in het belang van de bevolking er naar streven, dat het bestuur ook onder de gewijzigde omstandigheden zoo goed mogelijk zijn taak blijft vervullen.’ Gewapend verzet tegen de Duitse bezetter was volgende de Aanwijzingen niet toegestaan: ‘Door personen, niet tot de militaire macht behorende, hoe groot hun verontwaardiging ook moge zijn, mag geen enkele daad van geweld of tegenweer worden verricht.’

     

    Hirschfeld werd als voorzitter van het college van  secretarissen-generaal (SG’s) en zelf als Secretaris Generaal Handel, Nijverheid & Scheepvaart en waarnemend Secretaris Generaal Landbouw & Visserij gesteld voor de vraag wat die aanwijzingen nu concreet betekenden voor de ambtelijke opstelling jegens de bezetter. Hirschfeld toont zich in die afweging een man die Verantwortungsethik hoger aanslaat dan Gesinnungsethik. Niet de intentie, maar het daadwerkelijke  gevolg voor de gehele bevolking staat centraal. Wat hij niet denkt te kunnen beïnvloeden, zoals de deportatie van joodse burgers, lijkt hij te negeren. Hij richt zich op wat volgens hem wel kan, zoals het opzetten van de voedselvoorziening van Friesland en Overijssel via de Zuiderzee aan de steden in Holland tijdens de hongerwinter.

     

     

     

    Omstreden

    Met deze houding maakt hij zich niet bij iedereen geliefd. Zeker niet bij het verzet en dat is wederzijds. In de nacht bruggen opblazen kan iedereen vond hij, maar verantwoordelijkheid dragen voor dilemma’s en het bewaken van orde, daar was meer voor nodig. Hij moest immers persoonlijk onderhandelen met de bezetter, terwijl tegelijkertijd prominente NSB’ers als M.M. Rost van Tonningen bij de Duitsers wezen op zijn joodse achtergrond.

     

    Het naoorlogse oordeel over zijn handelen was mild, volgens sommigen te mild: hij werd uiteindelijk eervol ontslagen op eigen verzoek. De commissie oordeelde dat Hirschfeld zich had gehouden aan de voor de oorlog opgestelde Aanwijzingen en dat daarmee eervol ontslag op eigen verzoek passend was. Het kabinet had grote moeite met dit oordeel. Een minister stelde: ‘Als de heer Hirschfeld niet wordt gezuiverd, kunnen we er verder wel mee ophouden’.

     

    Regeringscommissaris Marshall-hulp

    Ondanks zijn omstreden rol, werd er al snel weer beroep gedaan op zijn kennis en capaciteiten. In 1947 werd hij door het kabinet benoemd als regeringscommissaris voor de voorbereiding en uitvoering van de Marshall-hulp. Vele benoemingen zouden nog volgen, onder meer als regeringscommissaris in Jakarta om de boedelscheiding tussen Nederland en Indonesië tot een goed einde te brengen. Na zijn afscheid definitieve afscheid als ambtenaar keerde hij terug naar het bedrijfsleven als toezichthouder en volgde nog achttien commissariaten, onder meer bij Philips, Holland-Amerika lijn en de Rotterdamse Bank.

     

    Onvervangbaar

    Wat voor man was deze dr. Hans Max Hirschfeld nu terugkijkend? Voor sommigen was hij ‘een type Fouché’, naar de veiligheidschef Joseph Fouché ten tijde van de Franse revolutie. Een naam die staat voor overlevingskunst, opportunisme en berekening. Zijn collega onderhandelaar L.A. Ries (ook opgenomen in dit boek) kenschetste hem als ‘onphilosofies pragmaticus’. Een collega topambtenaar kwalificeerde hem als ‘een geniale ambtenaar’ en ‘onvervangbaar’. Hirschfeld was in elk geval een man die leefde voor zijn werk, die samenviel met zijn werk. Vanuit een afkeer van chaos is hij beheerst in tijden van grote onzekerheid. Hirschfeld was bovenal een man met gezochte capaciteiten en inderdaad haast spreekwoordelijk onvervangbaar.

     

    III. Vermelding van publicaties en bronnen

     

    Meindert Fennema, John Rhijnsburger, Dr. Hans Max Hirschfeld; Man van het grote geld (Amsterdam 2007)

    Arie van der Zwan, H.M. Hirschfeld; In de ban van de macht (Amsterdam 2004)

    Rob van Daal

    Rob van Daal

    Wie ben ik

    Ik ben Rob van Daal, bestuurskundige en werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer als manager Staf Bestuur & Directie. Ik schrijf regelmatig recensies voor o.m. Openbaar Bestuur en VNG magazine....

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers