Inloggen

Frederik Willem Conrad, een alleskunner op spoorweggebied

    Maurits van den Toorn
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Maurits van den Toorn in de groep Ambtenarengeschiedenis! 995 dagen geleden

    Frederik Willem Conrad (Spaarnwoude 15 februari 1800 – München 1 februari 1870)

    1814 cadet van de waterstaat
    1817 aspirant-ingenieur
    1825 ingenieur 2e klasse, provinciaal ingenieur in Noord-Brabant
    1829 provinciaal ingenieur in Zuid-Holland
    1839 spoorwegingenieur
    1840 ingenieur-directeur HSM
    1845 ’s konings commissaris bij de HSM
    1852 hoofdingenieur (met verlof)
    1853 lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland (tot 1858)
    1858 inspecteur Rijkswaterstaat, lid van verschillende Waterstaatscommissies
    1866 hoofdinspecteur Rijkswaterstaat

    F.W. Conrad treedt samen met zijn drie broers als ingenieur in de voetsporen van zijn eveneens Frederik Willem genaamde vader, die als ingenieur-generaal het hoofd van de Waterstaat was. Na zijn afstuderen aan de artillerie- en genieschool in Delft (een voorloper van de huidige TU) komt hij al op zeventienjarige leeftijd als aspirant-ingenieur te werken bij de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal. Enkele jaren later doet hij, opgeklommen tot provinciaal ingenieur, bij de bouw van een gemaal bij Arkel ervaring op met de moderne techniek van die dagen: de stoommachine.

    Uitlenen
    De kennis daarvan komt goed van pas als hij, min of meer toevallig, bij de spoorwegen terecht komt. De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij (HIJSM), die bezig is met de aanleg van de spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem, komt door een conflict zonder ingenieur te zitten. De maatschappij vraagt daarom begin 1839 hulp bij Rijkswaterstaat. De dienst is bereid Conrad een paar maanden uit te lenen om de werkzaamheden te helpen voltooien. Hij lijkt als alleskunner voor de spoorwegen geschapen en doet zijn werk zó goed, dat de spoorwegmaatschappij hem graag wil houden. De dienst wil hem eigenlijk voor hooguit voor zes maanden kwijt, maar het worden vijftien jaar, met terugkeergarantie. Tijdens zijn afwezigheid wordt hij zelfs bevorderd tot hoofdingenieur.

    Gietijzeren bruggen
    Technische kennis is schaars in het nog voornamelijk agrarische Nederland van die dagen, waar trekschuit en postkoets de voornaamste vervoermiddelen zijn. De trein, met zijn adembenemende snelheid van wel veertig kilometer per uur, maakt ze op slag ouderwets. Als ingenieur-directeur bij de HIJSM kan Conrad zijn stempel drukken op de verlenging van de spoorlijn van Haarlem naar Leiden, Den Haag en Rotterdam in 1840-1847. Hij houdt zich met alle aspecten van het spoor bezig en verwerft faam door zijn bruggen – soms nog van hout, maar steeds vaker van het moderne gietijzer. Al bij leven wordt hij daarvoor bejubeld en met internationale prijzen beloond. Hij wordt lid van het Engelse Institution of Civil Engineers en richt naar analogie daarvan in 1847 het Koninklijk Instituut van Ingenieurs op, het KIVI. De groeiende waardering voor het vak van ingenieur blijkt wel uit het feit dat kroonprins Willem III beschermheer wordt en het instituut direct al bij oprichting ‘koninklijk’ is.

    Kanalen
    In 1858 verzilvert Conrad de eerder gegeven terugkeergarantie. Hij wordt inspecteur en enkele jaren later hoofdinspecteur van Rijkswaterstaat, de functie die zijn vader eerder had bekleed. In zijn latere jaren in overheidsdienst houdt hij zich in allerlei commissies en raden onder meer bezig met de doorgraving van ‘Holland op z’n smalst’, het Noordzeekanaal. Ironisch genoeg zou dat kanaal een einde maken aan het belang van het Noordhollandsch Kanaal waar Conrad zijn carrière was begonnen; het tekent zijn open geest dat hij nog op hoge leeftijd open staat voor zo’n ontwikkeling. Ook houdt hij zich bezig met de ontwikkeling van de Nieuwe Waterweg. In internationaal verband is hij actief als lid van een commissie die onderzoek doet naar de ‘doorsnijding der landengte van Suez’, oftewel het Suezkanaal. Hij reist daarvoor meerdere malen naar Egypte en is eind 1869 ook aanwezig bij de opening van het kanaal. Op de terugreis naar Nederland overlijdt hij in februari 1870 in München.

    Conrad is met recht te zien als de vader van het Nederlandse spoorwegnet, maar zijn prestaties op het gebied van de natte waterstaat moeten zeker niet over het hoofd worden gezien. Hij was in een wereld die op technisch gebied in snel tempo complexer werd een soort duizendpoot, misschien wel een van de laatste. Met de oprichting van het KIVI bezorgde hij het ingenieursvak aanzien en zelfbewustzijn. Zelf schreef hij tegen het eind van zijn leven: ‘Geen vak trekt zoo zeer als het onze, door het zichtbare nut dat men teweeg brengt.’

    Kadertje over Brade

    Conrad mag worden beschouwd als de vader van de spoorwegen in Nederland, de eer voor de aanleg van de spoorlijn Amsterdam – Haarlem moet hij delen met Willem Christiaan Brade (1791-1858). Brade, oud-militair en waterstaatsingenieur, was een van de initiatiefnemers van deze lijn en werd technisch directeur van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij. Toen de lijn grotendeels gereed was, stapte hij na een conflict met zijn mededirecteuren op.

    Maurits van den Toorn

    Bronnen
    Piet Brouwer, Gerard van Kesteren en Antia Wiersma, Berigt aan de heeren reizigers; 400 jaar openbaar vervoer in Nederland (Den Haag 2008). Guus Veenendaal, Spoorwegen in Nederland van 1834 tot nu (Amsterdam 2004). Auke van der Woud, Een nieuwe wereld; het ontstaan van het moderne Nederland (Amsterdam 2006). Jos Zijlstra, F.W. Conrad, spoorwegpionier. In: Op de Rails, 2014-6, blz. 289-293.

    Maurits van den Toorn

    Maurits van den Toorn

    Wie ben ik

    Journalist en redacteur, momenteel bij PM Public Mission, vroeger bij de Staatscourant. Verder actief als scribent op het gebied van infrastructuur en transport; recentelijk auteur van het...

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers