Inloggen

Joseph Molkenboer: 'Industriepaus'

    Peter Mulder
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Peter Mulder in de groep Ambtenarengeschiedenis! 1038 dagen geleden
    Joseph Molkenboer: 'Industriepaus'

    Joseph Molkenboer:  ‘Industriepaus’

     

    Joseph Aloysius Marie Molkenboer (Leiden 1916 – Den Haag 1999)

     

    1948      In dienst van het ministerie van Economische Zaken (arbeidscontract)

    1962      Directeur Zware Industrie

    1965      plv. DG Energievoorziening

    1969      plv. DG Industrie en Handel

    1973      DG Industrie en Handel (Regeringswaarnemer bij een aantal bedrijven, w.o. RSV)

    1979      Regeringswaarnemer bij een aantal bedrijven, w.o. RSV

     

    Van de RSV-enquête, het parlementair onderzoek naar overheidssteun aan het (failliet gegane) Rijn-Schelde-Verolme concern (1983-1984) , wordt vanaf de eerste zitting uitgebreid verslag gedaan door de NOS-televisie. Cees Sorgdrager, één van de verslaggevers, herinnert zich later: "De eerste keer dat Molkenboer verscheen, viel zijn vulpotlood op de grond. Hij raapte het op en praatte ondertussen gewoon door, zo net boven de tafel uitkijkend. Volgens de mediatrainers van nu zou dat niet meer kunnen." Wat Sorgdrager niet weet, is dat Molkenboer op dat moment helemaal zichzelf is en dat zijn mediatrainers hem op het hart gedrukt hebben om toch vooral ook zichzelf te blijven. Zo krijgt de Nederlandse televisiekijker een ambtenaar voorgeschoteld, die helemaal niet op een ambtenaar lijkt.

    Strikt genomen is Joseph Molkenboer ook nooit een ambtenaar geweest. Hij treedt in 1948 in dienst bij het ministerie van Economische Zaken als arbeidscontractant, een status waarin de normale werknemersrechten gelden, maar niet de rechten die men aan de bijzondere ambtenarenstatus kan ontlenen. En hoewel het fenomeen arbeidscontractant in 1995 bij het Rijk wordt opgeheven, heeft Molkenboer ook nadien een vaste aanstelling als ambtenaar altijd geweigerd. In zekere zin past dat ook wel bij hem: hij wordt door sommigen ‘chaotisch’  bevonden en door anderen getypeerd als ’een hork’. Hij is in ieder geval iemand, die formele kaders gemakkelijk durft  te doorbreken en soms ook buiten wettelijke regelingen om handig weet te manoeuvreren. Hij doet graag zaken in chique horecagelegenheden, en maakt, onverstaanbaar mompelend,  afspraken, die niemand achteraf nog kan duiden. Hij wordt ook wel getypeerd als ‘een anti-ambtenaar’.  

     

    Imago

    Binnen het departement van Economische Zaken is hij voor sommigen een ‘legendarisch figuur’, iemand zijn die zoveel indruk heeft gemaakt, dat er nog steeds over hem gesproken (of geschreven) wordt. In die zin mag hij inderdaad ‘legendarisch’ heten. Maar Molkenboer ontleent zijn bekendheid niet uitsluitend aan zijn televisieoptredens bij de enquêtecommissie. Al veel eerder heeft hij bij zijn politieke bazen en bij zijn gesprekspartners in het bedrijfsleven de nodige indruk gemaakt door zijn wat warrige manier van doen in combinatie met zijn ijzersterke geheugen en zijn grote slim- en handigheid. Maar vooral zijn successen bij grote bedrijfssaneringen en bij het naar Nederland lokken van buitenlandse bedrijven hebben de basis gelegd voor de grote naam die hij zich verworven heeft. 

    Binnen het departement van EZ zijn er niettemin weinig ambtenaren die graag met hem willen samenwerken: zijn horkerigheid (hij sprak een secretaresse ooit aan met ‘koe’), onberekenbaarheid (hij sloeg ooit de glazen bureauplaat van een verbouwereerde referendaris aan stukken) en ongeduld (alles moest altijd ‘terstond’ en ‘subiet’) zijn geducht en gevreesd. Maar een kleine groep van vertrouwelingen kan daar wel doorheen kijken en voor hen is Molkenboer een inspirerende en gerespecteerde chef.          

    Joseph Molkenboer krijgt vanaf het begin van de jaren zestig alle ruimte om zich dit imago aan te meten en ook verder te cultiveren (dat laatste doet hij graag). Als directeur Zware Industrie en later plv. directeur-generaal Energievoorziening zit hij middenin een beleidsterrein dat enorm in beweging komt: aan de ene kant zijn er de aardgasbaten, aan de andere kant de sluiting van de kolenmijnen in Limburg. Ter compensatie investeert de overheid bijvoorbeeld in de ontwikkeling van een nieuw bedrijf als de DSM in Limburg en in de verdere ontwikkeling van de petrochemische industrie in de Botlek. Ook Noordoost Groningen vergt grote investeringen. Molkenboer schaakt naar hartenlust mee op het grote bord. Hij heeft een enorme werkkracht, beschikt over een wijdvertakt netwerk en stijgt allengs naar de toppen van zijn ambtelijke macht.

    Bij het aantreden van het kabinet - Den Uyl en het aanbreken van de eerste oliecrisis komen die toppen steeds dichterbij, paradoxaal genoeg in de diepe dalen van de economie. Vooral na de oliecrisis van 1973 gaat het snel de verkeerde kant op. Stijgende energie- en arbeidskosten in combinatie met de harde en dus dure gulden brengen steeds meer (grote) ondernemingen  in zwaar weer.  ‘Herstructurering’ van het bedrijfsleven en bestrijding van de groeiende werkloosheid worden topics  in het kabinetsbeleid. Er komen stringente investeringsregelingen en in het  sectorstructuurbeleid is ook rechtstreekse bedrijfssteun een belangrijk instrument. Ook deelbudgetten van andere departementen worden daarbij ingezet, zoals gelden om de groeiende werkloosheid te bestrijden. En in het geval van RSV ook defensiemiddelen “met een overgave die aan de speeltafel niet zou hebben misstaan,” zoals de enquêtecommissie later zou concluderen. En tenslotte is er  – in de woorden van minister-president Den Uyl – nóg een heel bijzonder ‘instrument’: Molkenboer zelf!

    Die is inmiddels directeur-generaal Industrie geworden en in die hoedanigheid kan hij verder voortborduren op zijn kennis en ervaringen, op zijn vaardigheid in de machtspelletjes die overal worden gespeeld en vooral op het grote netwerk, dat hij heeft opgebouwd. Pogingen van bewindslieden als Langman en Lubbers om de bedrijvensteun te beperken en helemaal aan banden te leggen falen onder de sociale en economische druk en machtige lobby’s

     

    Kentering van Beleid

    Toch zet uiteindelijk vanuit het ministerie van Economische Zaken zelf de verandering in: met het aantreden van secretaris-generaal Frans Rutten en diens machtige stafdirectie Algemene Economische Politiek (AEP, ook wel ‘Altijd Extra Periodieken’ genoemd) gaat er een nieuwe beleidswind waaien door het departement. Rutten vindt dat de overheid richting het bedrijfsleven vooral een goed macro-economisch beleid moet voeren met behulp van monetaire en fiscale maatregelen. Specifiek (en defensief)  industriebeleid, zoals door Molkenboer c.s. wordt  gepropageerd, komt daarmee steeds meer op gespannen voet te staan en laat zich tenslotte nog maar moeilijk rijmen met een toekomstig – generieker - innovatiebeleid.

    Het directoraat-generaal Industrie heeft zijn positie goeddeels te danken aan de focus op het grootbedrijf en aan een creatief gebruik van allerlei verschillende regelingen, maar die positie komt dus onder vuur.  Daar komt bij dat men binnen het departement ook Molkenboer eigenlijk niet meer zo erg ziet zitten. Minister Van Aardenne heeft moeite met zijn persoon en secretaris-generaal Rutten wil in 1979 niet langer met hem door. Molkenboer treedt af als directeur-generaal  en is dan (alleen nog maar) regeringswaarnemer bij een zevental bedrijven, waaronder RSV, DAF, VMF en Fokker. Aan zijn machtige positie doet dit eigenlijk niet eens zoveel af: hij blijft  nadrukkelijk met één been midden in het departement staan, krijgt medeparaaf op alle relevante stukken en blijft ongebreideld gebruik maken van het ambtelijk apparaat.   

    Met name bij RSV blijven de zaken uit de hand lopen: kredietgaranties, leningen en subsidies komen nog steeds beschikbaar, waarbij overigens het behoud van werkgelegenheid én van een hele bedrijfstak meer prioriteit heeft dan de ontwikkeling van een echte industriepolitieke aanpak. Uitblijvende orders brengen RSV ertoe zelf nieuwe producten te ontwikkelen, zoals een heuse kolengraafmachine voor de Amerikaanse markt, een product dat jammerlijk mislukt en nieuwe verliezen genereert.  In totaal ontvangt RSV tussen 1971 en 1983 circa 2,2 miljard gulden aan overheidssteun. Maar de aanhoudende liquiditeitsproblemen 1983 nopen het bedrijf desondanks tot het aanvragen van surseance van betaling. Tenslotte zullen meer dan 18.000 banen verloren gaan bij de werven en 16.000 bij de toeleveranciers.

     

    RSV-enquête

    De parlementaire enquêtecommissie naar het ‘RSV-drama’ zal laten zien dat Molkenboer in dit proces van teloorgang niet heeft zitten slapen.  Molkenboer betoogt dat hij nooit op de stoel van de ondernemer heeft willen gaan zitten, maar dat hij de departementsleiding wel voortdurend en adequaat heeft geïnformeerd over de gang van zaken en de dreigende fiasco’s:  “Ik heb alleen maar als een papegaai de boodschap overgebracht'', bromt hij en wanneer daarover twijfels rijzen bij de commissie, legt hij – terstond en subiet – een kopie van het betreffende bewijsstuk op tafel met alle bewindsliederlijke parafen erop. Want bij alle ‘onambtelijk gedrag’ (gespeeld of niet) zondigt hij nooit tegen de stelregel dat politieke meerderen op de hoogte moeten zijn van alle belangrijke zaken die zich in ambtelijke dossiers afspelen.  Of anders geformuleerd: hij is altijd ambtelijk genoeg om zich van politieke rugdekking te voorzien. 

    Joseph Molkenboer betoogt voor de commissie dat hij zowel in zijn hoedanigheid van directeur-generaal als van regeringswaarnemer altijd zorgvuldig gehandeld heeft en dat hem niets te verwijten valt. Die overtuiging geeft hem op tv soms een uitstraling van onaantastbaarheid en arrogantie (volgens sommigen ook van minachting), zeker op momenten dat de commissie in haar vraagstelling twijfels laat doorklinken aan zijn betoog. Dan raakt hij ook geïrriteerd. Illustratief is een aanvaring met het commissielid Theo Joekes: als Molkenboer opmerkt dat hij door de commissie ‘gehoord’ wordt, zegt Joekes: “Nee, u wordt verhoord”. Waarop Molkenboer riposteert: “Ik word gehoord. Ik ben geen verdachte en u bent geen rechter.”    

    Toch rijst het beeld op van een ambtenaar die een ongebreidelde macht kan uitoefenen. Hij wordt de ‘verpersoonlijking van de Nederlandse industriepolitiek’ genoemd en ook wel kortweg ‘de industriepaus’.  Maar dat beeld schiet tekort, want doet te weinig recht aan zijn veel bredere verdiensten. Uiteindelijk zal de enquêtecommissie mild over hem oordelen. Recenter nog, in een terugblik op de RSV-affaire, haalt het voormalige commissielid Marcel van Dam herinneringen op aan Joseph Molkenboer: “Hij was de typische ouderwetse hoofdambtenaar, een trait-d’union tussen de topondernemers in Nederland en de top van het bestuur in Nederland. Maar hij had wel twee dilemma’s, of twee bazen en op die manier ook twee belangen.” En ook: “Ik vond hem een geweldige man. Iemand op wiens integriteit je altijd kon rekenen. Hij kon verkeerde beslissingen nemen. Maar het waren wel beslissingen die in zijn ogen het beste waren voor zowel het bedrijfsleven als voor de overheid.”

    Na beëindiging van zijn rol als regeringswaarnemer bij RSV in 1983 vervulde Molkenboer nog een klein aantal jaren diezelfde rol bij andere bedrijven. Hij overleed in 1999. 

    Gebruikte bronnen:

     

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers