Inloggen

Dina Sanson, eerste vrouw bij de Rotterdamse politie

    Davied van Berlo
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Davied van Berlo in de groep Ambtenarengeschiedenis! 970 dagen geleden
    Dina Sanson, eerste vrouw bij de Rotterdamse politie

    Sanson, Dina
    Rotterdam 21 mei 1868 – Zeist 30 mei 1929
    School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam
    Werkzaam bij Gemeentepolitie Rotterdam 1911-1929


    Dina Sanson wordt op 21 mei 1868 geboren als eerste kind van de joodse koopman Bernard Sanson en Rebecca Hijmans aan de deftige Rotterdamse Mathenesserlaan. Na de middelbare school haalt Dina een diploma aan de School voor Maatschappelijk werk te Amsterdam. Het is een opleiding voor vrouwen uit de ‘gegoede stand’, waar lessen worden gegeven in wetgeving, hygiëne, wijkverpleging, armenzorg, kinderbescherming en volksontwikkeling. Dina gaat werken in de Rotterdamse armenzorg en is actief in de Joodse Kinderzorg en de Vereeniging ter Behartiging van de Belangen van de Vrouw.

    In die tijd worden in Nederland nieuwe wetten aangenomen. De Leerplichtwet (1901) eist dat kinderen tussen 6 en 12 jaar naar school gaan. De Kinderwetten (1905) maken het mogelijk om minderjarigen die ‘gevaar lopen’ te onttrekken aan het ouderlijk gezag. En de Zedelijkheidswet (1911)  verbiedt bordelen, souteneurschap, pornografie en het verleiden van minderjarigen. De nieuwe wetten kunnen alleen worden gehandhaafd, wanneer er lokale controle is: een nieuwe uitdaging voor plaatselijke (geheel uit mannen bestaande) politiekorpsen.

    Omdat de nieuwe wetten vooral betrekking hebben op vrouwen en kinderen én omdat duidelijk wordt dat vrouwen graag willen werken, komt er onderzoek naar de mogelijkheid om vrouwen bij politiewerk in te zetten. De jonge juriste Cornelia Beaujon bezoekt in 1909 buitenlandse korpsen waar vrouwen werken, is enthousiast over de resultaten en pleit voor invoering in Nederland.
    De Rotterdamse hoofdcommissaris Th.M. Roest van Limburg volgt het advies. Hij maakt zich grote zorgen over de toenemende prostitutie, een grote-stadsprobleem waar Rotterdam steeds meer mee worstelt. Hij vraagt vrouwenorganisaties geschikte kandidates voor te dragen. De keuze valt op de 42-jarige Dina Sanson. Op 1 mei 1911 volgt haar aanstelling in de functie van ‘politie-assistente’ met een bescheiden salaris van 1000 gulden per jaar. Ze is de eerste politievrouw in Nederland met opsporingsbevoegdheid.

    De taakomschrijving bij de politie van Dina luidt ‘het behandelen van alle zaken betreffende het zedelijk wangedrag van jonge meisjes, verstrekken van hulp en raad, bemiddeling tussen ouders en instellingen en het toezicht op kinderen die bij vreemden zijn uitbesteed.’ Ze doet, zoals bij de politie gebruikelijk is, nauwgezet verslag van haar werk.

    In het eerste jaar krijgt ze 32 ouders aan haar bureau met klachten over het gedrag van hun dochter die ‘niet goed oppast’. Via haar mannelijke collega’s krijgt ze 42 ‘meisjesgevallen’: minderjarige meiden die worden aangetroffen in louche gezelschap of in verdachte huizen. Verder verleent ze hulp aan in problemen geraakte buitenlandse meisjes en aan vrouwen die worden mishandeld. Er komen 30 klachten binnen over verwaarlozing van kinderen. Het grootste deel van haar werk gaat bestaan uit ‘meisjesgevallen’, maar liefst  288 in 1918. Dina krijgt twee vrouwelijke collega’s en het Bureau Kinder- en Zedenpolitie is een feit.

    Dina nodigt de meisjes die bij haar zijn aangemeld eerst uit voor een gesprek en probeert de achtergrond van hun gedrag te achterhalen. Werkt ze mee, dan houdt Sanson nog een tijd contact met het gezin om te kijken of ze op het rechte pad blijft. Zo niet, dan draagt ze de zaak over aan justitie. Meestal volgt dan uithuisplaatsing.

    Maar Dina’s hart ligt bij de bestrijding van de zogenaamde ‘engeltjesmakerij’. Een praktijk waarbij kinderen van ongehuwde werkende moeders voor geld worden uitbesteed. De meestal vrouwelijke kosthuishoudsters verwaarlozen de kinderen vaak zodanig, dat ze overlijden. Vaak is er een overlijdensverzekering afgesloten door de uitbaatster, die het uitgekeerde bedrag opstrijkt. Dina bezoekt veel van deze kosthuizen en is diep geraakt door de misstanden die ze aantreft. In een zwartboek aan het gemeentebestuur schrijft ze over ‘kleintjes altijd in bed, tegen elkaar aan in kleine wiegjes, drijfnat en ondervoed’. De pleegmoeders betitelt ze als ‘sluwe, eigenwijze en domme konkelaarsters’. Haar rapport leidt tot een gemeentelijke verordening die regels stelt aan het verzorgen van kinderen in kosthuizen.

    Het werk van Dina vindt navolging. In 1913 stelt het Haagse korps een vrouwelijke politiebeambte aan. Utrecht en Amsterdam volgen in de jaren daarna. Haar opvolgsters krijgen veelal de rang van inspecteur. Dina maakt dat niet meer mee. Na 18 jaar politiewerk overlijdt ze in 1929 in het huis van haar broer in Zeist.

     

    Verder lezen:
    Sanson, D. ‘Werkkring van  de politie-assistenten in Rotterdam’ in: Algemeen Nederlandsch Politie-Weekblad 213 (1920).
    Manneke, N. Vrouwen van kaliber; politievrouwen in de twintigste eeuw (Apeldoorn 1998).

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers