Inloggen

Le bras gauche van Willem II in 1848: Anthon van Rappard

    Mathijs van de Waardt
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Mathijs van de Waardt in de groep Ambtenarengeschiedenis! 896 dagen geleden

    Le bras gauche van Willem II in 1848: Anthon van Rappard

    Mathijs van de Waardt

     

    I. Persoonsgegevens

    Naam: Van Rappard, Anthony Gerhard Alexander

    Roepnaam: Anthon

    Geboren: Utrecht, 5 oktober 1799

    Overleden: Utrecht, 1 april 1869

    Opleiding: rechtsgeleerdheid, Utrecht

    Woonplaatsen: Utrecht, Den Haag

    Functie: directeur Kabinet des Konings

    Bekend door: grondwet 1848

     

    II. Biografie

    Hoewel de totstandkoming van de grondwet van 1848 de uitkomst was van een proces tussen Koning, grondwetscommissie en Kamer, speelden op de achtergrond wel degelijk ook ambtenaren een rol. Iemand die nadrukkelijk bij alle ontwikkelingen in en rond 1848 betrokken was, was Anthon van Rappard, directeur van het Kabinet des Konings.

     

    Na zijn rechtenstudie was Van Rappard kort advocaat en begon daarna aan een lange carrière in publieke dienst. Vanaf 1825 was hij zes jaar commies bij de afdeling Onderwijs van het ministerie van Binnenlandse Zaken, om daarna nog zeven jaar als referendaris (afdelingshoofd) bij diezelfde afdeling werkzaam te zijn. In april 1838 werd hij benoemd als griffier van de Staatssecretarie. Deze instantie was onder Willem I belast met de voorbereiding van alle koninklijke besluiten waardoor het feitelijk het hele overheidsbeleid coördineerde. De Staatssecretarie werd dan ook gezien als een papierwinkel en werd een symbool van Willems autocratische optreden. Willem II besloot de algemene Staatssecretarie op te heffen, hiervoor in de plaats kwam het Kabinet des Konings. De koning benoemde Van Rappard als eerste directeur van deze nieuwe organisatie. Ook benoemde Willem II hem tot secretaris van de ministerraad, waardoor hij als tussenpersoon tussen de koning en ministers een belangrijke positie in het staatsbestel kreeg. Van Rappard was discreet en volgde getrouw de instructies van de koning. Het was waarschijnlijk hierdoor dat deze laatste hem vertrouwde en bijzonder waardeerde.

     

    Willem II was lang afkerig van een grondwetsherziening. Hij zag echter ook dat er aanpassingen nodig waren en in oktober 1847 gaf hij de ministers aan dat hij bereid was om een herziening toe te staan. Van Rappard deed de koning suggesties op welke punten de grondwet gewijzigd kon worden. Hierbij ging hij echter voorbij aan belangrijke punten voor de liberalen: politieke ministeriële verantwoordelijkheid, directe verkiezingen en vrijheid van drukpers, vereniging en vergadering. De koning ging hiermee akkoord, op voorwaarde dat er niet meer werd gewijzigd dan Van Rappard voorstelde en benoemde hem tot secretaris van de grondwetscommissie. Willem II had een ambivalente houden ten opzichte van de herziening. In januari 1848, toen de ministers overeenstemming hadden over 27 ontwerpen van herziening, deelde de koning hem mee dat hij zijn akkoord gaan met de wijziging als een vergissing beschouwde. Enige momenten later, toen in Italië opstanden waren uitgebroken, liet hij Van Rappard echter weten dat hij blij was dat hij niet door de omstandigheden was gedwongen om de grondwet te herzien, maar dat het zijn eigen initiatief was.

     

    Toen de wetsontwerpen begin maart 1848 openbaar werden, was de publieke reactie afwijzend. De koning draaide en liet op 13 maart de voorzitter van de Tweede Kamer bij zich komen om hem te informeren dat hij akkoord zou gaan met een liberale grondwet. Er zijn verschillende redenen aangevoerd waarom Willem II zo plotseling overstag ging, zoals zijn afnemende gezondheid en grilligheid, zijn hang naar populariteit en meer recentelijk chantage. De belangrijkste verklaring ligt wellicht in internationale ontwikkelingen. Eind februari waren in Parijs al opstanden losgebarsten, maar toen ook in de verschillende Duitse staten protesten uitbraken, de vorsten concessies deden aan de liberalen en ook in Nederland de onrust toenam, voelde Willem zich genoodzaakt toe te geven.

     

    Toen de ministers hoorden van de ommezwaai van de koning traden zij af. Om een grondwet te ontwerpen benoemde de koning vier dagen later een commissie, waarin onder meer Thorbecke, Donker Curtius en Luzac zitting hadden. Donker Curtius eiste dat de commissie ook een adviserende stem zou krijgen bij het invullen van de ministersposten. Van Rappard was onthutst en in de overtuiging dat dit een directe liberale staatsgreep was, adviseerde hij de koning na een woordenwisseling met Donker Curtius om niet akkoord te gaan met het dubbele mandaat van de commissie. De koning wilde haast maken en legde het advies naast zich neer.

     

    Hij ging echter snel om. Van Rappard was aanwezig bij alle belangrijke gesprekken in maart 1848. Hij bleef de steun en toeverlaat van de koning en bemerkte dat de grondwetsherziening hem ernst was. Nu er geen ministers in functie meer waren spoorde hij Donker Curtius aan om het ministerschap van Justitie op zich te nemen. Hij verweet hem wel te roepen dat er hervormd moest worden, maar zelf geen verantwoordelijkheid te nemen. Donker accepteerde de portefeuille dan ook een dag later. Van Rappard bleef zich achter de koning scharen, alhoewel deze laatste een draai richting het liberale kamp had gemaakt. Samen met de koning ijverde Van Rappard om de grondwetsherziening spoedig door beide kamers te krijgen. Hij was er dan ook niet veel later voorstander van om Thorbecke in het kabinet op te nemen, iets dat door de president van de ministerraad, de conservatief Schimmelpenninck, verhinderd werd. Van Rappard paste zich aan de nieuwe omstandigheden aan, anders dan bijvoorbeeld de conservatieve vicepresident van de Raad van State Van Doorn van Westcapelle, die het veld moest ruimen. Aan het eind van 1848 bedankten de koning en Donker Curtius hem zelfs voor zijn steun en diensten in het voorbije jaar.

     

    Na zijn rol bij het bestendigen van de grondwet in 1848 hielden zijn verdiensten niet op. Na het overlijden van Willem II speelde hij op de achtergrond een rol om de nieuwe koning Willem III, die in Engeland verbleef en niets ophad met de liberale grondwet van 1848, terug naar Nederland te krijgen. In datzelfde jaar was hij ook betrokken bij de onderhandelingen die het eerste ministerie Thorbecke opleverden. Van Rappard bleef tot 1854 directeur van het Kabinet des Konings. In dat jaar zou hij minister van Hervormde Eredienst worden, totdat hij in 1856 benoemd werd als minister van Binnenlandse Zaken. Van Rappard bleef zijn leven lang ongehuwd. Hij woonde bij zijn broer Frans en zijn vrouw in Den Haag.

     

    De grondwet bracht significante wijzigingen: naast de eerdergenoemde politieke ministeriële verantwoordelijkheid en directe verkiezingen ook koninklijke onschendbaarheid, openbaarheid van vergadering en een grote uitbreiding van de rechten van beide Kamers, vrijheid van drukpers, onderwijs, vereniging en vergadering en scheiding kerk en staat. Mede door het opreden van Van Rappard, die net als Willem II meebewoog met de veranderende tijden, kon deze grondwet in november 1848 afgekondigd worden en verliep dit jaar, anders dan in veel andere Europese staten, in Nederland relatief rustig.

     

    III. Bibliografie

     

    - Jeroen van Zanten, Koning Willem II, 1792-1849, Amsterdam: Boom

     

    - J. de Bosch Kemper, Levensbericht van Jhr. Mr. Anthon Gerard Alexander Ridder van Rappard, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1870

     

    - J.C. Boogman, Rondom 1848, de politieke ontwikkeling van Nederland 1840-1858, Bussum: Unieboek

     

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers